Filter resultaten
Thema
Toon alles
Type
berichten gevonden

Vechten voor een plek in de samenleving?

Het FSP heeft onderzoek gedaan naar de loopbaan van 1927 leerlingen uit het Praktijkonderwijs (Pro) en Voortgezet speciaal onderwijs (Vso). Het FSP wil partijen die vanuit verschillende domeinen bij deze jongeren betrokken zijn, ondersteunen door bij te dragen aan de kennis die we hebben over deze jongeren. Waar gaan ze naartoe als ze klaar zijn met school en wat doen ze vervolgens één of twee jaar later? En wat zijn succesfactoren die kunnen bijdragen aan een soepele overgang van school naar een plek om verder te leren of te werken?

Jongeren in een kwetsbare positie

De overgang van onderwijs naar een nieuwe plek is voor een kleine groep jongeren binnen alle onderwijsniveaus een probleem. Specifieke zorgen zijn er over jongeren die Voortgezet speciaal onderwijs (Vso), Praktijkonderwijs (Pro) of een Entreeopleiding (niveau 1) binnen het Mbo volgen. Uit beschikbare cijfers blijkt dat deze jongeren vaker dan hun leeftijdsgenootjes thuis zitten zonder naar school te gaan of werk te hebben. Na het succesvol afronden van hun opleiding beschikken deze jongeren nog niet over een startkwalificatie. Overheidsbeleid is dat jongeren zoveel mogelijk een startkwalificatie halen omdat dit de kans op een baan vergroot.

De Friese cijfers

In figuur 1 is te zien dat de meeste jongeren vanuit het Vso uitstromen naar dagbesteding en (vervolg)onderwijs. De meeste jongeren vanuit een Pro-school gaan naar (vervolg)onderwijs of een arbeidsplek. Een klein deel van het totaal aantal leerlingen stroomt uit naar een beschutte werkplek (4,4%) of komt thuis te zitten zonder school of werk (3%). Onder de restcategorie ‘overig’ vallen bijvoorbeeld verhuizingen en detentie.

Kijken we naar de uitstroom van jongeren in de drie opeenvolgende schooljaren, dan zien we dat dit redelijk stabiel blijft. We zien in figuur 2 dat over de periode van drie jaar het aandeel jongeren dat uitstroomt naar arbeid stijgt (van 18,1% naar 26,9%). Het aantal jongeren met beschut werk verdubbelt eerst (van 21 naar 45 in ’16-’17), maar halveert vervolgens. De andere categorieën fluctueren licht.

Jongeren zitten na één en na twee jaar grotendeels op een zelfde soort plek als waar ze naar zijn uitgestroomd. Vervolgonderwijs is hierbinnen het minst stabiel, maar doordat we van deze groep jongeren veel gegevens missen is het lastig hier uitspraken over te doen. Van de jongeren die uitstroomden naar vervolgonderwijs waarvan wél gegevens bekend zijn heeft 16,4% na twee jaar een (aangepaste) werkplek. Dit is te zien in figuur 3.

Wat betekenen de cijfers?

De gevonden toename in het aantal jongeren dat gaat werken hangt waarschijnlijk samen met de nieuwe situatie waarin de Wajong wordt afgebouwd en jongeren een beroep kunnen doen op de Participatiewet waarbinnen gemeenten jongeren naar de arbeidsmarkt moeten leiden. Het kan echter ook te maken hebben met de aantrekkende arbeidsmarkt. De verwachting was dat jongeren uitvallen op hun arbeidsplaats. Aan de ene kant blijkt dit wel uit de casussen die onderwijs- en zorg)professionals aangeleverd hebben: in zes van de dertien casussen gaat de jongere na korte tijd gewerkt te hebben naar een andere (werk)plek of terug naar school. Soms wil de jongere verder leren om zich te bekwamen in zijn of haar beroep maar soms sluit de (begeleiding op de) werkplek niet aan bij de hulpvraag van de jongere en loopt het daarom vast. Aan de andere kant zien we in de cijfers dat het merendeel van de jongeren die uitstroomt naar arbeid daar na één of twee jaar nog steeds zit.

Bij dagbesteding is ook weinig verloop te zien door de jaren heen. De vraag hierbij is of dat wenselijk is. Verdient bij (arbeidsmatige) dagbesteding doorstroom richting een reguliere arbeidsplaats of beschut werk wellicht de voorkeur? Verder valt op dat we vaak niet weten op welke plek jongeren na 1 of 2 jaar zitten, zeker als het gaat om uitstroom naar (vervolg)onderwijs. Dit kan veroorzaakt worden doordat uitwisseling van gegevens tussen twee scholen verhinderd wordt door privacywetgeving.

Verhalen uit Fryslân

We hebben (onderwijs- en zorg)professionals gevraagd naar verhalen over deze jongeren. Verhalen met een mooie afloop, maar ook verhalen die minder goed aflopen. Door ons een inkijkje te geven in hun dagelijkse praktijk hebben de professionals ons de mogelijkheid gegeven om factoren te onderscheiden die bijdragen aan een soepele overgang van school naar een plek om verder te leren of te werken. Wat maakt dat het vinden van een passende plek (niet) lukt? We hebben in de verhalen drie grote verschillen gevonden tussen jongeren mét en zonder een succesvolle overgang van school naar een nieuwe plek:

1. Lastig gedrag van de jongere

5 van de 7 jongeren zonder succesverhaal laten lastig gedrag zien zoals agressief gedrag of sociaal onaangepast gedrag (ten opzichte van 2 van de 6 met een succesverhaal).

2. Een goede basis / netwerk

4 van de 7 jongeren zonder succesverhaal hebben geen stabiele uitgangssituatie (ten opzichte van 1 van de 6 jongeren met een succesverhaal). Het gaat hier om een stabiele plek om te wonen en/of werken, maar ook om de (afwezige) steun van personen in de directe omgeving van de jongere.

3. De uitgangspositie en begeleiding vanuit organisaties en omgeving

Bij jongeren zonder succesverhaal wordt de ondersteuning vaker als belemmerende factor benoemd dan bij jongeren bij wie de overstap vanuit school goed is verlopen.

24 succesfactoren

In totaal komen er 24 factoren uit dit onderzoek die de overgang vanuit school naar een plek om verder te leren of te werken kunnen belemmeren of juist versoepelen. Deze factoren staan in de volledige publicatie bij downloads. Daarnaast is er bij deze rapportage een checklist aanwezig waarin de factoren genoemd worden. De 24 gevonden factoren geven een indicatie van de ondersteuning die volgens zorg- en onderwijsprofessionals nodig is om jongeren in een kwetsbare positie succesvol de overstap te laten maken vanuit Pro, Vso of Mbo-entree naar een nieuwe plek om te leren en/of werken. Deze indicatie kan als een eerste basis dienen voor eventueel vervolgonderzoek. De succesfactoren zijn niet uitputtend of generaliseerbaar naar alle jongeren: het gaat hier om resultaten op basis van 13 verhalen die aangeleverd zijn door slechts 6 professionals. Deze factoren dragen niet voor elke jongere in gelijke mate bij aan succes. Door meer casussen te verzamelen vanuit meerdere bronnen (zoals vanuit de jongeren zelf en van hun ouders) kunnen we kijken of de gevonden succes- en faalfactoren in hun verhalen ook terugkomen.

Meer weten?

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Dan kunt u contact opnemen met:

Dr. Annet ten Brug
Dr. Annet ten Brug Onderzoeker E-mail Annet LinkedIn 06 234 158 10

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten